Hoofdstuk 3

‘Jan Soldaat’ (1937-1940)

Tot grote teleurstelling van mijn van vader besluit ik om na de hbs op negentienjarige leeftijd in 1937 in het beroepsleger te gaan. Mijn familie verklaart me voor gek en vooral mijn vader heeft grote moeite met die keuze,

‘Die jongen kan arts worden maar gaat vechten. Hij is knetterknotsgek.’

Ik wil beroepsofficier worden en word toegelaten op de Konink­lijke Militaire Academie in Breda. Die keuze heeft met te maken met twee zaken. Ik ben natuurlijk onbewust beïnvloedt door alle oorlogsverhalen van Moesje I. Maar als jongen van zeventien, achttien jaar word ik ook enorm geraakt door de dreigende oorlog en de verschrikkelijke Duitse propaganda. In de bioscoop zie ik in het Polygoon Journaal de parades van de legers van Hitler. Duizenden Moffen paraderen synchroon en klikken gelijkmatig met hun hakken op het asfalt. Ik verafschuw die beelden en dat geluid. Toen begon de haat al te groeien. Ik gruwel van die Duitse propagandamachine en die kleine psychopaat die zijn mensen tot een ongekende wreedheid opzweept.

‘Dit barst straks ergens los’, dacht ik toen ik naar huis liep.

Dat was de boodschap van die vreselijke beelden. Ik kom thuis en zeg tegen mijn ouwe,

‘Wij krijgen straks oorlog.’

‘Jij bent een oorlogszuchtig manneke.’

Om in aanmerking te komen voor de kma moet ik eerst een opleiding volgen tot reserve-officier. Die opleiding interesseert me matig. Straf- en tuchtrecht vind ik nutteloos. Het enige wat bevalt is het paardrijden en het schieten met een kanon. Gelukkig is de opleiding snel voorbij en mag ik naar de Koninklijke Mili­taire Academie. Bij aankomst moet ik mijn sporen uitdoen. In plaats daarvan krijg ik putties. Van die grote groene lappen die infanteristen om hun onderbeen wikkelen en die dan als palingen op je enkels glijden. Vreselijk. Geef mij maar die laarzen. Die trek je aan en daar loop je mee weg. Dit is een gedoe. Klote dingen. We zijn jongstejaars. De eerste drie maanden worden we als feut behandeld. We moeten krankzinnige dingen doen in ruil voor de handtekeningen van ouwejaars. Zonder die handtekeningen word je het leven zuur gemaakt. Zo moet ik bijvoorbeeld de Balkan tekenen, in m’n eentje hardop het artillerielied zingen en het aantal stenen van een lange blinde muur tellen. Als ik een fout maak is men onverbiddelijk,

‘Opnieuw kleine etter of moeten we die handtekening op je reet tatoeëren?’

Na drie maanden krijg je een uur de kans om de ouwejaars te pesten. Een uur. Nou daar hebben we vakkundig, maar slechts tien minuten gebruik van gemaakt. Wordt meteen afgeblazen. We slaan die gasten links en rechts op hun donder. Zo’n klein kereltje van administratie, een etterkop, schuif ik als een stoel onder tafel. Krijsen dat kreng. Maar daarna volgt het ergste. Na drie maanden moet ik een ouwejaars uitkiezen en voor hem op mijn knieën. Bidden of hij mijn vader wil zijn. Biddend smeken of ik zijn zoon mag zijn. Onbegrijpelijk hè, maar je doet het!

We slapen met twintig man op een kamer. Een planken vloer en bedden met strozakken. Een ijzeren ledikant met een klein kastje boven je bed met een gordijntje ervoor. Als je dat gordijntje open laat staan krijg je een douw. In dat kastje heb ik een scheerapparaat, zakdoeken, hemden en onderbroeken. De schoenen die je uittrekt om te laten poetsen door de oppasser moeten ‘noord-zuid’ staan. Zo niet: een douw. Onze oppasser is een ouwe knil-korporaal. In ruil voor wat extra munten zorgt hij voor gesloten gordijnen en de juiste ‘schoenpositie’. Aardige vent, die ons nooit belazert. Af en toe denk ik aan de woorden van mijn vader. Dat gordijntje en dat ‘noord-zuid’ gedoe. Moeten we daar de Moffen mee verslaan? Had ik toch arts moeten worden?

13.tif

Op oefening tijdens zijn militaire opleiding.

14.tif

Jan inspecteert het materieel.

15.tif

Tijdens de opleiding op de kma te Breda is paardrijden zijn grote passie.

De lessen op de Academie zijn goed. Naast wiskunde, scheikunde, straf- en tuchtrecht, paardrijden en tactiek, leer ik ontzettend goed schieten. We hebben een paar stukken gemotoriseerde artillerie. Duitse kanonnen en projectielen. Oefenen met Moffen­materieel! Gelukkig zijn de Engelse kanonnen in de meerderheid. Oude ‘15 lang 40’ uit de Eerste Wereldoorlog. Vuurmonden met paardentractie ervoor. Grote houten wielen met een stalen ‘blaaspijp’ ertussen.

Zo nu en dan hebben we oefening. Met de trein naar Oldebroek. Met het hele zooitje vuurmonden, paarden en wagens op wagons naar het Noorden. We schieten daar op oude houten barakken of nagemaakte schuttersputjes. Veel kunnen we niet schieten want de munitie is duur en daardoor schaars. Lastig bij een oefening, nog lastiger in de oorlog. Bij de terugreis moet ik op de paarden letten. Dat hele stuk met zes paarden in één wagon.

Een week later, godverdorie, ruik ik die terugreis nog!

Er is op de Academie een ‘Bloedraad’. Dat zijn vijf gasten die vervelende feuten keihard aanpakken. In mijn eerste jaar wordt er zelfs eentje in de gracht gegooid. Een uitgekotste etterlijer die later zo’n linkse rakker wordt en staatssecretaris van Defensie. Dus dat hebben ze goed gezien hè! Eenmaal heb ik iemand ‘nat gekeerd’. Een klein, vervelend kereltje. Moet je voor uitkijken hè, kleine kereltjes. Die willen zich waarmaken. Compenseren. Op de één of andere mannier gaan ze dan denken ‘ik ben dan wel klein, maar God, ik ben bijna Napoleon’, begrijp je. Ik heb hem samen met Treffers, een jaargenoot die naast me slaapt, te grazen genomen.

‘Jan, om twee uur vannacht, kun je dan nog wakker worden?’, vraagt Treffers. Midden in de nacht lopen we met een emmer naar de andere zaal. Gooien, bed rechtop en wegwezen. Lag ie in z’n eigen nest te zwemmen. Pikkedonker. Wij snel ons bed in. Uitkijken voor splinters, want je loopt met blote poten over een houten vloer. Consternatie man. Licht aan, herrie. En wij slapen hè. Zoek maar uit wie het heeft gedaan. Het is best link hoor. Want dit mag alleen de ‘Bloedraad’ doen. Niemand weet wie dat zijn. Ze worden gekozen door het bestuur en mogen disciplinaire maatregelen nemen. Apart systeem, maar best goed. Het gaat om het corrigeren van feuten die dwarsliggen en geen eerbied tonen voor ouwejaars. Kijk, daarover ga je niet klagen bij je meerderen. Dat is verraad.

We klagen wel over het eten. Dat is allerbelabberdst. Op een avond loop ik na het appèl naar de eetzaal. Ik zie de bami en denk, ‘Dat lijkt wel pudding’. Zo doorgekookt dat je de sliertjes niet meer ziet. Liggen stukken varkensvlees in waar de haren uitsteken. We kijken elkaar aan. Even stilte voor het eten… ‘eet smakelijk’, zegt de Officier van Piket. Niemand vreet. Iedereen kijkt stilletjes voor zich uit. Die officier loopt rond en buldert ‘Obstructie, iedereen buiten aantreden.’

Met een lege maag staan we in de vrieskou op het kazerneplein. Overal kleine ademwolkjes en rillende eerstejaars. Na een uur: ‘ingerukt mars en naar binnen’. Even later brult hij ‘Stilte’, en wenst ons opnieuw smakelijk eten. De ‘glibber’ is nu ook nog koud. Heel voorzichtig ‘nippen’ we van het eten en als de officier is verdwenen vliegen we als een projectiel de eetzaal uit.

Later die avond wandel ik naar het centrum van de stad om een uitsmijter te eten. Op zaterdag krijg je op de kazerne hardgekookte eieren. Duizend eieren worden er dan stukgeslagen. Na de eerste ‘dreun’ zitten er honderd gekookte kuikens in. Die eieren zijn zo oud als de pest. Maar gelukkig heb ik ieder weekeinde verlof. Met de trein van Breda naar Den Haag. Heerlijk eten bij mijn moeder.

Tijdens een weekendverlof brengt mijn moeder seksuele voorlichting ter sprake. Zij vraagt wat ik wil weten over kinderen krijgen. Mijn vader roept vanuit zijn stoel:

‘Geen kinderen krijgen. God voor ogen en gulp dicht’, en tilt zijn krant weer omhoog.

Hij krijgt geweldig op z’n sodemieter van mijn moeder.

‘Theun, dat kun je toch niet maken. Is dat nou wat een arts zijn zoon meegeeft?’

Mijn vader, ijzig kalm, vanachter zijn dagblad:

‘Ach, hij weet allang hoe hij kinderen moet krijgen. Het is veel belangrijker om hem mee te geven hoe hij ze niet krijgt. God voor ogen en gulp dicht.’

We hebben thuis een dienstmaagd. Een gezellige Zeeuwse boerenmeid. Mijn vader bestelt altijd Zeeuwse aardappelen. Van die grote klei-aardappelen. Als je er twee hebt gevreten heb je een bolle buik. Die komen met een rijnaak en gaan dan de kelder in. Jaren later krijgt de dienstmaagd een zoon en dat ventje loopt dag en nacht met een tennisballetje te voetballen. Ik trap vaak in de gang bij ons een balletje met hem. Dat kereltje groeit uit tot een legendarische libero in de Residentie.

Op een middag hang ik uit mijn raam met mijn vriendjes te lullen. Het valt mij op dat er al een tijd een vent van de gemeente bezig is. Hij breekt dagelijks de straat open en is dan bezig met draden en riolering. Maar hij scharrelt voortdurend rond ons huis. Het is net of hij niet op wil schieten. ’s Avonds maakt hij de boel weer dicht en de volgende morgen begint alles opnieuw. Een week later is ie nog steeds in de buurt van ons huis bezig. Ik vraag aan mijn vader wat dit te betekenen heeft? ‘Jan, let jij maar goed op onze meid.’ Die ouwe had het gelijk door.

Ik hoor gerommel in de bovenkamer. Ik kijk uit het raam omhoog. De diensmaagd hangt uit het raam. ‘Hé is dat je vrijer?’, en ik knik naar de straatarbeider.

Betrapt verlegen glimlacht ze en knikt beleefd.

‘Weet die kerel dat ook? Laat hem binnenkomen voor een bak koffie.’

Even later zit de stratenmaker in de keuken. En wat denk je? Jaren later trouwt ze met hem en wordt mevrouw Mansveld. Hun zoon heet Aad!

Op de Academie ben ik uiterst serieus. Ik heb geen zin in ge­ouwehoer. Daardoor kan het weekendverlof worden ingetrokken. Goede resultaten voorkomen dat ik ’s avonds moet studeren. Wie faalt moet na het avondeten verplicht en onder toezicht studeren. Elke avond gaat er een groepje van een man of tien als gevangenen de kamer in en voor twee uur met studieboeken achter slot en grendel. Bovendien bestaat er een prestatielijst. Hoe hoger op die lijst des te sneller promotie. Aan het eind van het eerste jaar sta ik tweede. Een hoop commentaar en jaloezie waar ik me geen donder van aantrek. Die vent op de eerste plek blijkt later, na het uitbreken van de oorlog, een ss-er te zijn. Dus in de oorlog stijg ik met stip naar nummer één. Begrijp je wel!

Ik ben somber geworden. De Duitse propagandamachine raakt me diep. Mijn vader relativeert het gevaar van Hitler teveel. Ik krijg steeds meer bevestiging dat er iets staat te gebeuren. In 1939, het derde jaar van de kma, volgt de mobilisatie en moet ik naar een depot in Voorschoten. Ik tref een luitenant die één wedstrijd midvoor was geweest in het Nederlands voetbalelftal. Hij was ingenieur en daarom niet zo geliefd. Die krijgt geen bal en loopt er in zijn enige wedstrijd voor niets bij. Best een aardige kerel trouwens. Na een aantal dagen vraag ik mij af waar ik mee bezig ben? Ik ben toch niet opgeleid om te niksen in Voorschoten? Ik wil naar het veldleger. Iedereen verklaart me voor gek maar ik wil daar weg. Later blijkt dat er in Voorschoten, na de landing van Duitse parachutisten, keihard is geknokt.

Kort daarna word ik overgeplaatst naar iii-8 ra. Dit is de derde afdeling van het achterregiment veldartillerie. In de buurt van Rhenen. Met de trein reis ik naar Veenendaal en fiets daarna naar de commandopost. Ik ontmoet de kapitein. Een makelaar uit Groningen, die zich voorstelt en zegt,

‘Van ’t Land, getrouwd, tien kinderen en niet katholiek.’

Daarna maak ik kennis met de paardenarts, een ingenieur, semi-arts Broekema en de enige beroepsluitenant, Ubbo Meier. Hij is tevens batterij officier.

‘Goddank, eindelijk een intellectueel. Wynekes jongen, de rest weet hier geen flikker van artillerie en oorlogsvoering’, aldus Meier.

Het zijn inderdaad allemaal aardige, aangeklede burgers die geen sodemieter weten. Meier vervolgt:

‘Wynekes, we moeten dit groepje een hoop leren jongen.’

We zijn allereerst ‘droog’ gaan oefenen. Ik maak een panorama, een soort maquette, met een denkbeeldige vijand, denkbeeldige doelen en posities voor onze vuurmonden.

Die gasten moeten het schot uitrekenen. Ik sta met een stok achter het panorama om te laten zien waar hun projectiel neerkomt. Na een paar maanden word ik teruggeroepen door de Academie. De dreiging is geweken en ik moet de opleiding vervolgen. Ubbo Meier zegt bij het afscheid,

‘Ik hoop dat ik je snel terugzie Wynekes.’

Opeens zit ik weer in de klas. Opnieuw schietlessen. Dat rekenen moet minutieus. Rekening houden met de windrichting. Wij wer­ken met ‘duizenden’, de Engelsen met graden. Een hele cirkel is vierenzestig duizenden. Afstanden bepalen is makkelijker met ‘duizenden’ dan met graden. Dat is wiskunde hoor. In het veld zitten wij in een loopgraaf en rekenen de coördinaten van het doel uit. Dat seinen we via een telefoon naar de stelling. De batterij-officier brult dat met een toeter naar de vuurmonden. Die worden gericht volgens onze gegevens. Afstand en terreinhoek. Aan de achterkant van de loop wordt een groot projectiel geplaatst, aangedrukt en afgesloten. Daarna wachten tot het commando ‘vuren’. Dan slaat er een slagpin in de huls met ontsteking. Het projectiel ontploft en komt gloeiend uit de loop. De stuksbemanning bestaat uit een richter, een lader, één die de projectielen aanbrengt, eentje aan het staartstuk die het kanon naar links of rechts duwt en de commandant die het vuurcommando geeft.

Na twee maanden Academie opnieuw alarm. Ik kom bij een batterij waar problemen zijn. Deze staat onder leiding van kapitein Vergouwen, een ingenieur bij Akzo. Een batterij met allemaal dienstplichtigen. Die gasten schrikken als het kanon afgaat. Met dat groepje durf ik geen honderd meter voor m’n smoel te schieten. Levensgevaarlijk. Later, in Engeland, met jongens die ruim twee jaar training hebben gehad durf ik recht voor m’n smoel te schieten. Dan schoot ik de projectielen op de neus van hun kissies. Begrijp je? Dit is levensgevaarlijk. Gelukkig hebben we goeie opperwachtmeesters. Dat zijn beroeps. Die springen als kakkerlakken tussen de kanonnen en controleren of ze goed gericht zijn.

Na enkele weken moet ik opnieuw terug naar de Academie. Toch voel ik ‘iets’. Onzichtbaar sluipt het gevaar naderbij. Tijdens de hele oorlog ben ik bang geweest, maar dat laat je nooit merken. Vanaf de gevechten in de Grebbelinie, de vlucht, de invasie in Normandië en de gevechten daarna werd ik gegijzeld door angst. Iedereen rookt zich te barsten. Ook ik rook ‘een pakje per nacht’ als ik weet dat ik om vier uur in de ochtend moet aanvallen. Je bent ‘strontbang’ maar blijft flauwekul verkopen. Je maskeert dat je in je ‘naat’ zit. Als je manschappen merken dat jij angst hebt ben je verloren. Angst is een ongewenste metgezel die zich manifesteert achter een façade van grappen en uitbundige praatjes.

Door het leger en de oorlog is mijn taal naar de verdommenis gegaan. Mijn moeder is niet blij met mijn taalgebruik.

‘Jan, dit hebben wij je niet geleerd.’

‘Maar moeder’, moet ik dan zeggen’, en dan sprak ik heel deftig:

‘Jongens, het is nu echt tijd om aan te vallen.’

Nee moeder ik brul, ‘godver de godver…’

‘Ik moet vloeken om die gasten vooruit te krijgen. Begrijpt u?’

16.tif

De stuksbemanning van de oude 15 lang 40. Tweede van links Jan Wynekes.

Op de Academie wacht het officiersexamen. Kort daarvoor opnieuw alarm. We juichen na de mededeling dat de examens vervallen. Buiten bij de poort staat de overste van de Generale Staf. Hij kijkt me aan en zegt, ‘Wynekes, juich niet te hard jongen, juich alsjeblieft niet te hard.’

Ik denk, die vent is seniel. Niet lang daarna is hij gesneuveld. Ik begrijp pas later dat hij wist dat er een wrede en nietsontziende oorlog uit zal breken. En wij lopen juichend de kazernepoort uit!

Op 7 mei 1940 word ik voor de derde maal gedirigeerd naar iii-8 ra. Een regiment dat onder leiding staat van overste De Kruiff en bestaat uit drie batterijen met hoofdzakelijk Duitse kanonnen. Er worden stellingen ingenomen in de buurt van Rhenen. De bediening wordt gevormd door rekruten die hun diensttijd achter de rug hebben maar nog nooit met scherp hebben geschoten. In de nacht van 8 op 9 mei is er omstreeks half twaalf alarm. Iedereen vliegt naar de stellingen. Om half vier is de gehele afdeling tot vuren gereed. Om vier uur vliegen Duitse bommenwerpers in grote aantallen over de stellingen zonder hun bommenlast te laten vallen. Onze luchtdoelartillerie gaat niet lang daarna over tot vuren en haalt enkele vliegtuigen naar beneden. Ik ga terug naar Ubbo Meier. Aanvankelijk gebeurt er niets. We wachten op orders. Plotseling een nieuw nachtelijk alarm. We worden uit ons nest getrommeld en moeten met spoed naar de afdeling. De paarden worden uit de stallen gehaald en ik fiets in een mooie meinacht in het pikkedonker naar de commandopost. Het is een half uurtje fietsen. Onderweg een vreselijk geknal. Bwam. Bwam, bwam. De zware mokerslagen doen mij steeds sneller fietsen. Ik geloof dat de oorlog nu werkelijk uitbreekt. Niet lang daarna kom ik in de buurt van mijn stelling en zie witte rookpluimen uit het donkere struikgewas opstijgen. Ik heb alleen een pistool. Zo’n oude, zware met een rollend magazijn waar zes kogels in hangen. Ik tuur met mijn ogen en zie links en rechts dooie Moffen. Wel twintig. Ze liggen rond een neergehaald vliegtuig. Ze liggen godverdorie met vliegtuig en al in onze stelling. Nu is het menens. Het is oorlog.

Ik meld me bij Meier. ‘Wynekes, ga jij maar naar waarnemingspost Groene Bank.’

Ik heb die dag geen telefoonlijn. Het blijkt dat verschillende telefoonverbindingen plotseling zijn verbroken. Na onderzoek blijkt dat ze zijn doorgeknipt. De volgende dag krijgen we een radio­toestel. Hiermee kunnen we berichten naar de regimentscommandant seinen. Dat is belangrijk want de telefoonlijnen zijn constant kapot. Drie uur later loop ik door de stelling en zie dat er een bajonet door de radio is gestoken. Ik realiseer mij hoe smerig en dichtbij het verraad is. Langzaam wordt mij duidelijk dat ik zelfs uit moet kijken voor mijn eigen leger. Vanaf dat moment sluipt er wantrouwen in de manschappen. Dat is funest jongen. Dat breekt de eenheid en de kracht van een afdeling. Uiteindelijk wijzen de manschappen zelf een dader aan. Een bloemenkweker uit Hillegom die een bedankbrief bij zich draagt die is ondertekend door een Duitse burgemeester. Hierin staat o.a. ‘…danken voor uw edelmoedigen daad die het Duitsche volk nimmer zal vergeten...’.

Kort daarna komt onze stelling onder vuur te liggen. Onze aalmoezenier heeft dit later kunnen verklaren nadat hij uit krijgsgevangenkamp was vrijgekomen. Hij vertelt dat de Duitsers in het bezit waren van stafkaarten voorzien van de nulpunten van onze batterijen. Ook kent men een groot aantal namen van Neder­landse legercommandanten. Het verraad beïnvloedt het moreel van de troepen maar dat breekt niet. Bij beschietingen krijgt een vuurmond van de eerste batterij een voltreffer op het schild. Eén van de manschappen, die buiten het schild staat, wordt gedood.

Waarnemingspost Groene Bank bestaat uit een oude kastanjeboom waartegen een wit geschilderde trap in de felle zon staat te schitteren. Die kun je net over de Duitse grens al zien. Zit nog goed in de verf ook want dat ding moet waarschijnlijk tien jaar mee. De eerste dag gebeurt er niets. De dag erna is het schitterend weer. Bloedheet. Ik heb nog niet zo’n mooie dag gehad en kan heel ver zien met mijn verrekijker. Iets na de middag wordt het rommelig en klinken er schoten in het voorterrein. Daarna volgen zwaardere klappen. Met mijn kompas kan ik de posities bepalen. Mijn God, daar gaan de bruggen van Deventer en Zutphen. Ik meld dit meteen ‘naar achteren’. Op dat moment word ik afgelost door Broekema, de semi-arts. Die woont in Wageningen waar zijn vader hoogleraar is. ‘Jan, let op dat je de villa van mijn ouwe heer niet in mekaar knalt.’

‘Nee Broekema, daar schiet ik netjes omheen!’

Plotseling bewegingen in het vizier. In Wageningen komt Duitse artillerie in stelling. Met zijn kompas en de kaart weet Broekema razendsnel de posities te bepalen. Jongen, het is magistraal dat hij die plaats kent. Sneller kunnen we niet zijn. Ik geef de coördinaten direct door aan Ubbo Meier. Gelijk volgt het vuurcommando. Bwam, bwam, bwam. Er valt een dot vuur op die Duitse paarden en kanonnen. Godallemachtig, dat hele zooitje is één grote rookwolk. We schieten die hele Duitse batterij naar de verdommenis. Die hebben we nooit meer terug gezien. Ubbo Meier staat te juichen en brult naar de manschappen:

‘Goed geschoten!’

Het enige dat op zo’n moment telt is dat de vijand jou niet meer kan raken. Je bent niet blij met hun dood maar met het feit dat ze jou geen gevaar meer kunnen doen. Later in de oorlog, als de haat zich van mij meester heeft gemaakt, verandert dat gevoel en ben ik wel blij als ik ze kan neerhalen.

Niet lang daarna zie ik met mijn verrekijker een wachtpost op de kerktoren van Wageningen. Een vette Mof die ons ‘in de gulp kijkt’. Ik zeg tegen Meier:

‘Dit is foute boel. Die toren wordt als waarnemingspost gebruikt. Die moeten we neerhalen’.

Niet lang daarna is de hele lucht vol met laagvliegende Duitse vliegtuigen. Jongen ze vliegen lager dan mijn positie in die boom. Eén van die Duitse piloten kijkt mij recht in de ogen. Hij wuift met zijn rechterhand en hetzelfde moment gooit ie een dot vuur om m ’n oren. Twintig, dertig meter van de boom slaan de projectielen in en spat de grond omhoog. Ik laat mij uit de boom in een loopgraaf vallen. Onderweg krijg ik een dreun in mijn nek. Ik denk:

‘God zal me hebben, ik ben geraakt.’

Ik rol over de grond en ik voel… geen bloed. Mijn nek staat scheef op mijn schouders. Even later arriveert Broekema. Die knielt naast mij en onderzoekt me. Mijn nek is geraakt door een opspattende kei. Ik vervloek die kerk. Broekema spreekt me vermanend toe. Vloeken mag niet van zijn geloof.

‘Godverdorie Broekema, dit is oorlog man, geen catechisatie.’

Die avond hoor ik in de commandopost een vreemd krassend geluid. Het komt uit de loopgraaf. Ik sluip er naar toe en betrap een wachtmeester die een kaart tekent van de posities van onze batterijen en kanonnen. Hij wordt opgepakt, ondervraagd en afgevoerd. Hij geeft toe dat ie voor de Duitsers werkt. Ik schrik van dit verraad. En nog meer als ik een maand later in de trein van Den Haag naar Veenendaal stap. Daar zit die klootzak, in burger, met een grote grijns op z’n verraderssmoel. Van binnen kook ik en even overweeg ik hem uit de trein te schoppen. Ik realiseer mij echter dat ik dan waarschijnlijk grotere problemen heb dan die proleet.

De volgende ochtend, 11 mei 1940, is de situatie onveranderd. Die glimmende Duitse helm beweegt zich rond de kerktoren. Ik roep tegen Meier dat er iets moet gebeuren.

‘Die vent kan hier de hazen zien lopen.’

Eindelijk geeft de regimentscommandant toestemming om de kerktoren te beschieten.

‘Wynekes, geef de coördinaten maar’, zegt Ubbo. De tweede batterij zal het vuur afgeven. Het eerste schot is een plus. Ik zeg tegen Meier, honderd terug. Pfffffiiiiiit, je herkent het geluid van je eigen projectielen. Je hoort soms ook de inslag. Het zijn ouderwetse vuurmonden maar zo’n projectiel moet je niet in je nek krijgen. Dat zijn godvergeten gore jongens. Het tweede schot een min. Ik zeg vijftig vooruit. Het derde projectiel gaat met Zwitserse precisie door de kerktoren. Die hele toren sodemietert naar beneden.

‘Doel geraakt, einde kerkdienst’, roep ik opgelucht.

In het gevechtsbericht van de Kapitein staat de actie als volgt beschreven:

Gevechtsbericht 11 mei 1940 van reserve-kapitein J. van ’t Land

IV Divisie

8 Regiment Artillerie

III Afdeling

Gevechtsbericht van den 11 mei 1940

Bevel ontvangen plaats van ontvangst: Commandopost van

Commandant iii-8 r.a.

uur van ontvangst: 8.35 uur van: d.a.c. iv Divisie

Opdracht De Zuidelijke (oude) toren van Wageningen onder vuur nemen, daar die door vijandelijke waarnemers is bezet.

Uitvoering Het vuur wordt afgegeven door 2-iii-8 r.a. uit de verwisselstelling met waarneming door Commandant Rechter batterij vanaf diens waarnemingspost. Eerst wordt gevuurd met een stuk; daar de waar­neming moeilijk is, wordt overgegaan tot lagen vuur. (tijd 9.15 uur) Uitwerkingsvuur van 10.02 tot 10.04, van 10.09 tot 10.11 en van 10.21 tot 10.22. Toren van Wageningen en omgeving brandt.

11 mei 1940 De Kapitein Commandant III-8 R.A.

J. van ’t Land

Wat er daarna gebeurt begrijpt niemand. Een uur later staat de kerk in een laaiende fik. Twaalf uur lang staat het te branden. Als een fakkel. Hoe kan dit? Ik begrijp niet dat een kerk zo lang kan branden. Enkele weken na de strijd in de Grebbelinie ben ik met Broekema naar Wageningen gefietst. Hij wil controleren of het huis van z’n ouders er nog staat. Gelukkig is dat zo. Op de bovenverdieping, in het bed van z’n ouders, vindt hij een projectiel dat Godzijdank niet is afgegaan. Lange tijd discussiëren over de vraag wie dat projectiel naar binnen heeft geschoten.

‘Jij hebt beloofd er omheen te schieten’, foetert Broekema.

Daarna fietsen we naar het kerkpleintje. We zitten op een leeg terras tegenover de puinhopen van de voormalige kerk en roken een sigaret. De uitbater knikt naar de puinhoop en zegt,

‘Die hebben jullie goed geraakt.’

‘Dat zijn wij niet geweest’, zeggen we voor de zekerheid. Je weet maar nooit hè.

‘De Duitsers hebben de kerk een dag voor de beschieting helemaal vol gegooid met strobalen. Wel duizend. Niet lang daarna arriveert er een bataljon Duitse wielrijders. Die zijn in de kerk gaan slapen. Dat hele bataljon ligt te pitten als die toren op hun buik valt. Ik heb ze met honderden in drietonners ‘met de benen omhoog’ weggevoerd zien worden. Ongelofelijk.’

Broekema en ik kijken elkaar ongelovig aan. De kerk werd gebruikt als nachtkwartier!

Een Duitse kapitein geeft na de oorlog toe dat er vijfhonderd wielrijders lagen te slapen. Allemaal dood. Dit in contrast met de mededelingen van het Duitse opperbevel dat bij de Grebbe-gevechten in totaal driehonderd soldaten waren omgekomen.

Het vuren van onze zijde wordt steeds heviger en gaat de hele nacht door. Gemiddeld schieten we zo’n driehonderd projectielen per batterij per nacht. De derde dag, 12 mei, komt er plotseling een bataljon wielrijders voorbij die op weg zijn naar de voorste linie. Twee uur later komen zij in grote vaart terug en hebben geen tijd om te praten. Het is ons duidelijk dat de Duitsers flink oprukken en ons steeds meer naderen. Die dag staat er een batterij in Rhenen. Die moet worden verplaatst naar onze stelling. Dat duurt vierentwintig uur. De hele boel wordt zwaar beschoten.Ik heb medelijden met de paarden. De dieren hebben schuim tussen de dijen en trillen van angst.

Inmiddels staan er ruim tweehonderd kanonnen in onze linie. Daar hebben die Duitsers veel last van. De vierde dag worden we opgeschrikt door tientallen Stuka’s, Duitse duikbommen­werpers. Ik lig plat op de grond terwijl met donderend geraas vliegtuigen overvliegen en projectielen inslaan.

‘Nu is het afgelopen’, denk ik.

In mijn herinnering heb ik daar uren gelegen maar in werkelijkheid duurt de aanval een half uur. De vuurmonden zwijgen. Ik kom voorzichtig overeind en kijk achterom. Alle bomen zijn weg. Ik zie nog een dun rijtje kanonnen staan maar daarachter is alles platgeschoten. In onze batterij is er één zwaargewonde. Hij vraagt:

‘Ga ik dood?’

‘Heb je pijn?’

‘Nee ik voel helemaal niets.’

Een half uur later is ie dood. Kapitein van ’t Land beschrijft deze fase als volgt:

Verslag van Reserve Kapitein J. van ’t Land

Commandant iii-8 r.a.

Verslag van de gebeurtenissen in het tijdvak van 9 t/m 14 mei 1940

ZONDAG 12 MEI EN MAANDAG 13 MEI TOT 14.00 UUR.

Deze periode vormde een vrijwel onafgebroken gevechts­periode. Verschillende vuren werden op last d.a.c. afgegeven, voor enkele vuren werd machtiging gevraagd en verkregen. Vele lichtkogels in verschillende kleuren worden waargenomen, mondingsvlammen werden gesignaleerd en doorgegeven. De waarnemingspost van de midden Batterij verricht uitstekend werk (Kapitein Vergouwe en Wachtmeester de Muynk).

De beschieting van onze eigen opstellingen neemt toe in aantal en in zwaarte van kaliber. De waarnemingspost Groene Bank moet wegens de voortdurende beschieting worden ontruimd en teruggetrokken naar de mitrailleur­opstelling in de boomen van de midden Batterij. Het in stelling komen van een Batterij van 16 R.A. in de Beukenlaan naast de waarnemingspost van de rechter Batterij en vlak voor de midden Batterij is oorzaak, dat veel vuur wordt aangetrokken, waardoor deze waarnemingspost zeer aan bruikbaarheid inboet.

In den loop van den Zondag worden de Batterijen gereed gesteld voor het vuur bestemd voor de tegenstoot vanaf de Rijn, welk vuur evenwel niet wordt afgegeven. Wel wordt Maandag te 4.30 uur afgegeven de vuurstooten bedoeld voor de tegenstoot uit Noordwestelijke richting.

De troepen worden echter dien morgen eerst te omstreeks 8 uur in het voorterrein waargenomen.

Tot ongeveer 13.30 uur heeft alles een normaal verloop, al heeft de toezending van gegevens van 11 Mei (ontvangen op 12 Mei) niet nagelaten indruk te maken, vooral wat betreft de mededeeling dat groote Duitsche troepen, Duitsche colonnes Apeldoorn passeeren, alsmede de medeedeling, dat kwartiermaker te Ede-Bennekom en Wageningen zijn aangekomen……..

De kwaliteit van het leger is erbarmelijk. De meeste soldaten hebben maar zes maanden opleiding gehad. Het materieel is sterk verouderd. Eenvoudige wapens en artillerie uit de Eerste Wereld­oorlog. Als we ons bij Rhenen vier kilometer moeten verplaatsen duurt dat vierentwintig uur. Militair stelt de Grebbelinie niet veel voor. Maar het is vervelend oponthoud voor de Duitsers en groot verlies van manschappen.

Inwoners van Arnhem zien meermalen drietonners met dode Duitse militairen richting de grens rijden. De vierde dag is het prachtige weer. De lucht vult zich met rook en kleine deeltjes papier. Gelet op de windrichting moet die rotzooi uit het Westland komen. We weten dat men het daar zwaar heeft. Zou men Rotter­dam te grazen hebben genomen? Dat moeten dan wel zware bombardementen zijn geweest. En dan komt er reactie bij de soldaten. Ze zien de puinhoop in hun stelling en vermoeden rook uit Rotterdam. Ze worden zachtjes nijdig. Dan worden Hollandse soldaten gevaarlijk. Een Hollander gaat pas vechten als ie nijdig is.

Het wordt duidelijk dat we de stelling niet kunnen houden. Na vier dagen hevige gevechten en enkele doden en gewonden aan onze kant en vele doden en gewonden aan Moffen zijde, starten op 14 mei 1940 de eerste voorbereidingen voor onze terugtrekking. Het is een chaotische fase. Vooral door gebrek aan goede communicatie is onduidelijk hoe de werkelijke situatie is en wat ons te doen staat. Kapitein Vergouwe schrijft daarover in zijn dagboek:

14 mei

Om 3.30 uur wordt de bediening uit de schuilplaatsen gecommandeerd en worden voorbereidingen getroffen voor de vuuropening; onze batterij leidt. Om 4.00 uur (aantekening zijkant pagina: ‘dit moet 4.30 uur zijn’) wordt het eerste schot gelost, als inleiding van een beschieting, welke ruim een half uur duurt. Vergeefs wordt echter gewacht op eenig teeken van Engelsche bommenwerpers. De bediening is vol vuur en iedereen slooft zich uit om zoo snel mogelijk te vuren. Het voorgeschreven tempo 2 wordt nu gemakkelijk gehaald. Uit berichten van waarnemers van Afdeeling en batterijen blijkt bovendien dat zeer nauwkeurig wordt geschoten. Na afloop van het inleidend treedt een groote pauze in; tot aller verbazing is het eerstvolgend vuur een afsluitingsvuur. Uit de geringste beantwoording van het vuur door den vijandelijk artillerie trekken wij de conclusie, ter plaatse over een overwicht van artillerie te beschikken. Wij kunnen dan ook het uitblijven van verdere vuurbevelen op grootere afstand niet verklaren.

In de loop van de ochtend krijgt de batterij nog verschillende vuur­bevelen, o.a. het beschieten van een vijandelijke batterij welke tot zwijgen wordt gebracht.

Nadat de vorige dag een Stukscommandant is moeten worden vervangen door een wachtmeester-verkenner wordt in dit stadium van het gevecht een andere verkenner in de voorpost gewond. Deze, de wachtmeester de Muynk, heeft deze dag blijk gegeven van veel moed en doodsverachting door ondanks een hevig vuur op en om de waar­nemingspost zijn post te blijven bezetten.

Nadat nog eenige malen de vijandelijk colonnes zijn bevuurd, moet wederom stormvuur worden afgegeven; blijkbaar valt de vijand aan. Ook bij dit gedeelte van het vuur blijkt de juiste ligging en goede uitwerking van ons artillerievuur.

Door enkele zelfstandige terugtrekkende infanteristen wordt gemeld, dat de infanterie terugtrekt. Ook de waarnemingspost meldt, dat de infanterie achter de spoorlijn stelling neemt, zoodat dus blijkbaar de hoofdweerstandsstrook is doorbroken. Steeds grootere groepen infanterie trekken voorbij onze stelling. De wildste geruchten doen de ronde. Bevreesd voor een aanval op onze stelling en voor onvoldoende infanteriedekking verwachten wij ieder oogenblik het commando om de voorwagens te doen voorkomen teneinde spoedig van stelling te wisselen. Dit commando blijft echter uit. Na afloop van eenigen tijd komt het bericht alarm.

De mitrailleur en de batterij bediening worden bij de batterij geposteerd teneinde een rechtstreeksche aanval te kunnen afslaan. Een vuurmond wordt op de weg in stelling gebracht. Op het kruispunt weg naar Rhenen en autoweg wordt nog 1 p.a.g. in stelling gebracht en verzamelen zich eenige huzaren-motor­rijders. Nog voor echter de vijand wordt gezien komt het bevel ‘storm­vuur 123 – 400 meter terug’. Nu een stuk uit de stelling is, worden met 3 stukken de voorbereiding van dit vuur getroffen. Voordat het vuur kan worden afgegeven, wordt ‘halt’ gecommandeerd en volgt het bericht ‘stukken onbruikbaar maken, te voet terugtrekken naar Elst’. Bij infor­matie bleek, dat de stukken niet definitief onbruikbaar mochten worden gemaakt, doch slechts de slagpinnen en drukbodems moesten worden uitgenomen.

Na bevestiging van dit bericht tot terugtrekken wordt de bediening verzameld; zooveel mogelijk de fietsen worden meegenomen; bij afwezigheid van de goederenauto moeten de goederen in de stelling worden achtergelaten. Toen wij de terugtocht door de bosschen langs de wegen aanvaardden, bleken de daar liggende onderdeelen niet van dit bevel op de hoogte te zijn. Niettemin werd de terugtocht ordelijk volbracht. Slechts eenmaal deed een bommenwerper een aanval bij het munitiedepôt, doch trof geen doel.

Te Elst worden de terugtrekkende deelen van iii-8 r.a. verzameld en wordt verder teruggetrokken naar het Amerongsche Berghuis. Het verkeer op de hoofdwegen op zijwegen waren gedirigeerd, kon het verkeer verder gaan.

Na enkele uren oponthoud moest ook de positie van het Amerongsch Berghuis worden opgegeven en werd verder teruggetrokken naar Cothen.

Rijdende bij nacht en mist werd Cothen bereikt, alwaar de batterij opdracht kreeg door te trekken naar Tull en ’t Waal. Hier werd in de vroege ochtend van 14 Mei gelegerd in ontruimde boerderijen.

Op 14 mei trekken we ons daadwerkelijk terug. De paarden­tracties kunnen niet op tijd aanwezig zijn. We zijn genoodzaakt de vuurmonden achter te laten. Uiteraard maken we ze allemaal onklaar. Projectiel aan de voorkant en aan de achterkant. Zo hebben we ze allemaal de lucht in geschoten. Later blijkt dat de opdracht voor de terugtocht te laat gegeven of ontvangen is. De terugtocht is hoofdzakelijk ’s nachts. Het gaat langzaam. De sluizen zijn opengezet om de Duitsers een snelle opmars te beletten. Het gebied loopt deels onder water. Onderweg zien we de koeien lijden. Ze loeien hevig vanwege hun propvolle, pijnlijke uiers. Ze kunnen geen kant uit door het stijgende water. De boeren­jongens onder de soldaten kunnen dit niet aanzien en trekken de weilanden in. Ze gaan ze melken. Het water wordt langzaam melk­achtig wit. Dat is een macaber beeld. Daarna kruipen ze weer op hun paard en rijden we verder. We verrekken van honger. In de buurt van Vreeswijk gaan we een verlaten boerderij binnen. In een kast vinden we brood, boter en kaas. We vreten alles op en leggen een tientje op de keukentafel. In Vreeswijk krijgen we eindelijk betrouwbare informatie van de Staf van de B Brigade.

We rusten kort vanwege geruchten dat er vijandelijke colonnes in aantocht zijn. Alles wordt achtergelaten. Ook de paarden. Later krijgen we opdracht die alsnog op te halen. Dan blijkt dat de geruchten klopten. Zes mannen worden gevangen genomen door de Duitsers. Het restant van de terugtocht heeft overdag plaats en voert ons naar Benschop, ten zuiden van Utrecht. We horen dat Nederland heeft gecapituleerd. Dat leidt tot frustratie bij de manschappen. Ze weigeren hun munitie in te leveren en verstoppen deze bij boeren.

In een school kan ik eindelijk slapen. Ik leg mijn helm en gas­maker onder mijn hoofd. Op een gegeven moment word ik gewekt door een kanonnier. Er is bezoek, zegt hij. Tot mijn stomme verbazing staan daar mijn vader en moeder. Ze zijn netjes gekleed. Mijn moeder draagt een lange jurk en mijn vader een pak met vest en een gouden kettinghorloge. Dat gebruikt hij altijd als hij de polsslag van zijn patiënten opneemt. Dat heb ik later van hem geërfd. Ze zijn met een taxi uit Den Haag gekomen om te kijken of ik nog leef. Mijn moeder huilt en knuffelt me bijna dood!

‘Jan, ze zeggen dat je gewond bent.’

‘Nee moeder, ik heb alleen een kei in mijn nek gehad.’

Ze wil kijken. Mijn jas moet uit. Midden in de nacht. Mijn vader staat te foeteren op het leger,

‘Je hebt geen flikker meer te vertellen Jan. Je gaat arts worden. Ik zie je zo snel mogelijk thuis, want jij gaat nu studeren.’

Ik verneem dan pas wat er werkelijk allemaal aan de hand is. Dat er duizenden parachutisten zijn geland die op weg zijn naar Den Haag. Dat Hare Majesteit weg is en dat Rotterdam inderdaad zware bombardementen te verduren heeft gehad waarbij duizenden doden zijn gevallen. Wij wisten niks jongen. Helemaal niks. Kapitein Vergouwe schrijft daarover in zijn evaluatie:

14 mei

… Dat deze ligging niet van langen duur kon zijn, werd reeds voorzien door het wassende water. Nadat de toestand steeds erger werd en de wegen onder water kwamen te staan en omdat geen contact met de vierde divisie kon worden verkregen, werd besloten op eigen gelegenheid terug te trekken achter Vreeswijk.

Met het oog op luchtgevaar is, nadat hierover de meening van alle aanwezige officieren was ingewonnen, besloten de paarden en voertuigen achter te laten en terug te gaan naar Vreeswijk, alwaar contact zou worden gezocht met de vierde divisie. Bij de Staf van de Brigade te Vreeswijk werden eindelijk betrouwbare berichten verkregen omtrent de plaats van de vijand. Hieruit bleek, dat nog tijd aanwezig was om de paarden en voorwagens op te halen, waartoe dan ook ogen­blikkelijk bevel werd gegeven. Juist op dit oogenblik kwam bij de Staf bericht binnen dat de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (o.l.z.) tot capitulatie had besloten. Onder geheimhouding van dit bericht werd niettemin de order uitgevoerd. Bij terugkeer in Vreeswijk bleek het a.n.p. bericht van de capitulatie reeds te hebben verspreid. De batterij trekt dan verder in afdeelingsverband door naar haar nieuwe kwartieren in Benschop.

Algemeene opmerkingen

1) Een moeilijkheid was, dat vrijwel het geheele personeel van de derde batterij onbekend was met de situatie van de stellingen, met de verbindingswegen naar Commandopost Afdeelingscommandant en neven batterijen. De officieren hadden geen kennis van het voorterrein. (aantekening zijkant pagina: ‘De batterijcommandant was wel op de hoogte, daar hij vanaf September in het stellinggebied iv Divisie bij iii-8 r.a. werkzaam was’.)

2) 2 brisantgranaten zijn ontijdig gesprongen, wat 2 gewonden tengevolge had. Het eerste geval is mogelijk veroorzaakt door het onvoldoende aanzetten of door slecht werkende buis; bij het 2de ligt de oorzaak in het niet werken van de veiligheidsinrichting, waardoor de uit vuurstelling gebrachte vuurmond afgeschoten kon worden en de voorgelegen boomen geraakt werden. Het schot ging af doordat iemand struikelde over het lange aftrektouw. De voorgelegen boomen waren gedeeltelijk gekapt.

3) De bediening was te weinig geoefend, waardoor in het begin tempo 2 niet werd bereikt.

4) Ondanks de korte opleidingstijd van de meeste wacht­meesters en kanonniers (lichting 1939 en 1940) heeft de batterij in het algemeen vooral na de eerste vuren, ten volle voldaan aan de taken, welke haar werden opgedragen en dit met veel nauwgezetheid. Hieruit blijkt, dat ook niet ten volle afgerichte menschen een volle prestatie kunnen leveren, mits met bezieling geleid en mits er vertrouwen heerscht in de beschermende kracht van haar dekking. Vooral dit laatste is een groote factor voor het moraal van de troep. Ze doet de voor een nauwkeurig richten noodige rust ontstaan. (aantekening zijkant pagina: ‘Conclusie gewaagd: bij een bewegingsoorlog zou de onvoldoende geoefendheid zeker gebleken zijn; thans betrof het nagenoeg uitsluitend voorbereide vuren’.)

5) Het uitblijven van berichten omtrent positie van den vijand door hoogere legerchefs blijkt ten hoogste bevordelijk voor het doen ingang vinden van wilde geruchten, welke de weerkracht van het leger ten zeerste ondermijnen.

We zijn een tijdje in Benschop gebleven. Daar hoor ik van de capitulatie. Dat Winkelman de vrede heeft getekend. Dat de Moffen daarna doorgaan met bombarderen. Terwijl men overeenstemming had bereikt over vrede dacht mijnheer Göring:

‘Hamburg moet de grootste haven worden dus ik gooi Rotterdam nog even plat.’

Maar hoe erg ook, door de wederopbouw is Rotterdam een nog betere haven geworden en laat in de jaren daarna Hamburg ver achter zich. De soldaten worden giftig. Die willen wraak nemen op die Moffen. Niet lang daarna krijgen we de opdracht om terug te keren naar onze stelling. Terug naar de oude commandopost. We betrekken leegstaande huizen en wachten op orders. Tussentijds mogen we met verlof. Ik heb nog steeds last van mijn nek en ben blij als ik een paar dagen thuis kan slapen.

Na enige weken meldt de commandant dat een Duitse majoor de beroepsofficieren wil spreken. Hij komt speciaal daarvoor naar de commandopost. Hij lijkt een jurist. Keurig in pak, kortgeknipt haar onder een zwarte pet en hij spreekt hoog Duits. Een nette, beschaafde man.

‘Setzen Sie sich’, en hij geeft me een stoel en begint een heel verhaal. Het was ‘Schade, Schade’, dat men Holland was binnen­gevallen. Maar ‘keine angst, Holland soll das selber bleiben’.

Zijn stortvloed van woorden vormt een lofzang op de Duitse intenties. Waarschijnlijk verwacht die kletsmajoor ook nog enkele tranen van ontroering. Bijna gepassioneerd vertelt hij dat Hitler een goede man is. Ik word niet krijgsgevangen gemaakt en andere krijgsgevangenen worden vrijgelaten. Ik kan naar het Duitse leger of bij de opbouwdienst. Maar dat wil ik allemaal niet. Wel ben ik verplicht een document te ondertekenen. Hiermee verklaar ik niet meer tegen Duitsers te strijden. En jongen, ik weet niks van politiek. Ik was al die tijd nergens anders geweest dan in Benschop en af en toe met de trein naar Den Haag. Ik wist niet wat er in de rest van Nederland gebeurde. Ik had geen idee wat nationaal-socialisme was. Van de ss had ik nog nooit gehoord. Ik twijfelde. Als ik zou tekenen moet ik naar huis en zal mijn vader eisen dat ik medicijnen ga studeren. Niet tekenen betekent dat het wellicht niet goed met me afloopt. Ik twijfel hevig. Vooral ook omdat overal verraders zitten. Ik weet niet meer wie ik kan vertrouwen. Uiteindelijk zet ik met ballpoint mijn handtekening. De majoor knikt en stopt het document snel in zijn binnenzak.

Hierna volgt de demobilisatie. Op 15 juli word ik bevorderd tot tweede luitenant en tegelijkertijd ontslagen uit de opbouwdienst. Een militaire carrière onder Duitse bezetting is onmogelijk. De capitulatie zorgt ervoor dat ik mij kan inschrijven voor de medicijnenstudie op de universiteit in Leiden. Niet lang daarna krijg ik bericht dat ik ben toegelaten. Terwijl het land bezet is en kort nadat ik heb gevochten in de Grebbelinie begint een nieuwe fase. Ik, kersverse tweede-luitenant Wynekes, wordt student en treed tot zijn grote voldoening, in de voetsporen van mijn vader…